Leerplankader SLO en Laat maar Zien

Gemeenschappelijk vertrekpunt
Het uitlijnen van het onderwijs in de kunstzinnige vakken in het kader van cultuureducatie is voor veel scholen een lastige klus. Om de neuzen één kant op te krijgen heeft SLO een algemeen kader ontwikkeld, het Leerplankader Kunstzinnige Oriëntatie. Hiermee worden scholen geholpen met de opdracht één leerlijn voor de combinatie van kunstvakken samen te stellen. SLO kiest voor deze benaming omdat die verwijst naar de Kerndoelen (2006). De doelomschrijving is in deze kerndoelen nog voor iedereen herkenbaar. Met nadruk wordt verwezen naar de ‘preambule’ van de kerndoelen. Die schetst een mooi beeld van hoe hedendaags onderwijs bedoeld is. Verder wordt dit referentiekader opgerekt met ‘21ste eeuwse vaardigheden’. SLO bepleit dat creativiteit, probleem oplossen, samenwerken en communiceren de belangrijkste zijn voor dit leerplankader. De eerste hobbel die door SLO genomen wordt is het vergelijkbaar maken van appels en peren. Vandaar dat er wordt ingezoomd op dat wat de vakken wél verbindt: het creatieve proces. SLO onderscheidt daarin vier karakteristieke fasen: oriënteren, onderzoeken, uitvoeren en Evalueren.

Aandachtspunten
In het vertrekpunt wordt het creatieve proces getypeerd door aandachtspunten:

  • Kunstzinnige activiteiten betreffen productie, maar ook receptie, reproductie en reflectie. (reproductie is met name aan de orde bij muziek en dans).
  • Er wordt gestreefd naar samenhang. (tussen beeldend, muziek, dans en drama, maar ook met andere leergebieden als wereldoriëntatie, taal en rekenen).
  • Er vinden activiteiten buiten de school plaats. (o.m. erfgoededucatie)
  • De kinderlijke belevingswereld staat centraal (kind kan zelf betekenis geven).
  • Activiteiten zijn divergerend. Ze bieden ruimte om mogelijkheden te onderzoeken.
  • Samenwerking en communicatie worden gestimuleerd.
  • Er wordt een procesgerichte didactiek gehanteerd. De leerkracht biedt vakinhoud aan en stimuleert de kinderen om die op persoonlijke wijze te verwerken (pendel tussen extern en intern referentiekader).

Van algemene naar specifieke competenties
Het leerplankader beschrijft competenties die de kinderen door de kunstzinnige oriëntatie als geheel verwerven. Dit algemene (generieke) kader beschrijft wat een leerling door genoemde kunstzinnige disciplines heen verwerft aan kennis, vaardigheid en attitude:

  • Kennis over het medium (klank, beweging, materie), vorm (hoe je ermee kunt variëren en betekenis (hetgeen je ermee kunt uitdrukken);
  • Vaardigheid: procesvaardigheden (oriënteren, onderzoeken, uitvoeren en evalueren) en vakspecifieke (schilderen, zingen, breakdance, mime);
  • Attitude: gedragsaspecten die wezenlijk zijn voor een rijk creatief proces zoals openstellen, onderzoeken, zelfstandig handelen, samenwerken etc.;

Dit algemene kader wordt daarna voor elk kunstvak specifiek geconcretiseerd. De competenties voor beeldend onderwijs zijn in het schema onderaan dit artikel samengevat. In de kolommen staan competenties rond oriënteren, onderzoeken, uitvoeren en evalueren beschreven, beginnend bij groep 1 en 2. Het plusteken verwijst naar de toevoegingen voor elke volgende bouw.

De online-methode Laat maar Zien en het Leerplankader
Realiseren we met de lessen uit de online methode Laat maar Zien de beeldende leerlijn zoals omschreven in het leerplankader voor Kunstzinnige Oriëntatie van S.L.O.? Het antwoord is eenvoudigweg ‘ja’. Dat is niet verwonderlijk want Laat maar Zien is tot stand gekomen in een voortdurende interactie met SLO (Zie ook boek ‘Laat maar Zien’, didactiek voor beeldend onderwijs; van Onna & Jacobse, Noordhoff: 2013). Voor elk van de aandachtspunten en de in het schema genoemde competenties zijn voor elk leerjaar tal van voorbeelden te geven. Dat zou hier echter te ver voeren. Om die reden volgt een korte verantwoording vanuit het perspectief van het leerplankader.

  • Laat maar Zien bevat veel productieve en receptieve activiteiten. Om dat te verankeren en ervoor te zorgen dat kinderen vertrouwd raken met kijken naar kunst en erfgoed zijn er veel lessen speciaal gericht op beschouwing (receptie);
     
  • Elke les vertrekt vanuit een thema en legt zo de relatie met ‘Oriëntatie op de wereld en jezelf’, maar ook met kunst en andere schoolvakken (taal en rekenen). De relatie met erfgoed in brede zin is dan ook een vanzelfsprekende;
     
  • Door het gebruik van de filterpagina kan elke leerkracht eigen keuzes maken uit het ruime (en steeds groeiende) lesaanbod. De leerkracht kan lessen selecteren op basis van materiaal, beeldaspect, 2 of 3 dimensionaal en thema (waaronder feestdagen). Maar heeft ook de mogelijkheid te selecteren op Kunst en Cultuur en aansluiting bij andere vakgebieden;
     
  • Voor een mooie spreiding van de bron, de aard en de functie van beeldend werk is er een verdeling in activiteiten aangebracht: naar de waarneming, de voorstelling, de functie en digitaal, zowel 2 als 3 dimensionaal (zie Kerndoelen);
     
  • Omdat de procesgerichte didactiek als basisstructuur voor de lessen van Laat maar Zien geldt, is elke les opgebouwd volgens het stramien: oriënteren, onderzoeken/uitvoeren (die bij beeldend werken altijd hand in hand gaan) en evalueren. De zoektocht naar persoonlijke betekenisgeving door variatie staat steeds centraal. Die structuur is dan ook terug te vinden in elke lesbeschrijving;
     
  • De vakinhoudelijk sturing (extern referentiekader) wordt verhelderd bij de doelen (Laat maar zien dat …) en het divergerende proces wordt daarmee in gang gezet;
     
  • Na elke les wordt gestructureerd teruggekeken (evalueren) op de activiteit en leggen de kinderen de relatie tussen de richtlijnen en hun persoonlijke werkproces. Daardoor leren ze reflecteren, hun keuzes communiceren en die van anderen waarderen;
     
  • Samenwerking wordt op verschillende manieren bevorderd. Op jongere leeftijd door samen te werken met materialen en ervaringen te delen. In de middenbouw worden veel beschouwingsopdrachten in groepjes uitgevoerd. In de bovenbouw werken ze in een aantal lessen aan werkstukken die een samenhangend geheel gaan vormen;
     
  • Attitudeaspecten zijn langere termijndoelen waarop in de lesbeschrijvingen wordt aangestuurd. Zelfstandigheid van de planning en uitvoering wordt gestimuleerd en ook noodzakelijk door de toenemende complexiteit van de probleemstellingen;
     
  • Doordat de leerkracht met Mijn Leerlijn zelf een lesprogramma kan samenstellen naar eigen keuze en affiniteit, raakt hij meer betrokken (eigenaarschap). Hij heeft de mogelijkheid in handen het begrip belevingswereld in zijn lessen voor de kinderen centraal te stellen;
     
  • Mijn Leerlijn, de tool die Laat maar Leren heeft ontwikkeld, maakt het mogelijk die voorkeuren uit te lijnen met collega’s.

Samenvatting competenties beeldend onderwijs Leerplankader Kunstzinnige Oriëntatie SLO
Het volledige schema staat op de website van SLO.
+ wordt in deze bouw aan de competenties toegevoegd.

competentie/groep 1 & 2 3 & 4 5 & 6 7 &8
oriënteren Stelt zich open voor beelden.

Geeft (samen met leerkracht) betekenis aan beelden door erover te praten.
+
Kan in gesprek met leerkracht de relatie leggen tussen betekenis, onderzoek en vormgeving.
+
Kan relatie leggen met andere kunstvakken.

Kan in beschouwingsgesprek de relatie leggen tussen vorm, betekenis en materiaal.
+
Kan betekenis geven en zich daarbij spiegelen aan anderen.

Staat open voor andere ideeën.
onderzoeken Kan thema's uit belevingswereld ter inspiratie gebruiken.

Kan materialen, technieken en beeldapsecten spelenderwijs verkennen binnen context thema.
+
Kan binnen context thema experimenteren met beeldaspecten, materialen en technieken. 

Kan zich daarbij laten leiden door de richtlijnen van de opdracht en het toeval.
+
Kan bronnenonderzoek doen en aspecten van W.O, beeldende vormgeving en kunst als inspiratie voor eigen werk gebruiken.

Kan gericht experimenteren en mogelijkheden uitproberen.

Kan rekening houden met criteria en eigen plan uitstippelen.
+
Kan dat steeds zelfstandiger of in samenwerking met anderen.

Kan bij de uitvoering relatie leggen tussen criteria van de opdracht en eigen criteria.
uitvoeren Kan ideeen vormgeven in beeldend werk en vertellen over de bedoeling.

Kan tijdens werk materiaal/gereedschap benoemen en veilig gebruiken.
+
Kan persoonlijke invulling geven aan opdracht en gebruikmaken van zijn ontdekkingen.

Kan rekening houden met de richtlijnen.
+
Kan aangeven hoe hij van ontdekkingen gebruik heeft gemaakt.

Kan keuzes motiveren en rekening houden met criteria opdracht en eigen criteria.

Kan werkvolgorde bepalen op basis van kennis, inzicht en vaardigheid.
+
Kan waardering beargumenteren en relaties leggen met beeldende en andere kunstdisciplines en erfgoed.

Kan iets vertellen over de betekenis van kunst en erfgoed in dagelijks leven van heden en verleden.
evalueren Kan vertellen over beeldend werk (wat en hoe).

Kan kijken naar en praten over werk van de ander.

Kan eigen werk vergelijken met dat van kunstenaar.
+
Kan vertellen over eigen werkproces.

Kan verschillende oplossingen voor het maken van een werkstuk benoemen en waarderen.
+
Kan daarbij criteria gebruiken van opdracht en eigen criteria.

Kan eigen product en proces en dat van anderen waarderen.

Kan relatie leggen tussen eigen werk en dat van vormgevers/kunstenaars en ervaringen (ook buitenschools).
+
Kan dat doen in groep en vervolgopdracht bedenken.

Kan waardering beargumenteren met kennis en inzicht uit andere kunstdisciplines en erfgoed.
Terug naar boven
© 2017 Stichting Beeldend Onderwijs

Van werken van beeldend kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © c/o Pictoright Amsterdam 2012